Het aambeeld is de platte, uitwaaierende top van een onweerswolk. Dit ontstaat doordat de stijgstroom de tropopauze bereikt, waar de lucht niet verder omhoog kan en zich horizontaal verspreidt. Bij een supercel kan het aambeeld ver vóór de bui uit reiken.
Kennisbank weertermen
Korte definities van veel voorkomende begrippen in de meteorologie
A
B
De Beaufortschaal loopt van 0 (windstil) tot 12 (orkaan) en drukt windkracht uit in een schaal die gekoppeld is aan het effect van de wind op land en zee, in plaats van aan een exacte windsnelheid. Windkracht 6 (matig) komt bijvoorbeeld overeen met ongeveer 39-49 km/u, windkracht 9 (storm) met 75-88 km/u.
C
CAPE staat voor Convective Available Potential Energy en is een maat (in J/kg) voor hoeveel energie een luchtbel heeft om versneld omhoog te stijgen, mits die eenmaal aan het opstijgen is. Hoe hoger de CAPE-waarde, hoe krachtiger de opwaartse windstoten (updrafts) in een bui kunnen worden.
Waarden onder de 500 J/kg leveren doorgaans alleen gewone buien op, tussen 1000 en 2500 J/kg spreken we van matige tot sterke instabiliteit, en boven de 2500-3000 J/kg is er kans op zeer hevige onweersbuien. CAPE zegt alleen iets over de beschikbare energie, niets over de kans op onweersbuien.
Een cumulonimbus is de wolk waaruit onweer ontstaat: een verticaal opgebouwde stapelwolk die door een sterke updraft tot wel 15km hoog kan groeien. De top wordt vaak afgevlakt tot een aambeeld zodra de wolk de tropopauze bereikt.
D
Het dauwpunt is de temperatuur waarnaar lucht moet afkoelen om 100% relatieve vochtigheid te bereiken. In tegenstelling tot relatieve vochtigheid zegt het dauwpunt direct iets over de hoeveelheid vocht die daadwerkelijk in de lucht zit: een dauwpunt boven de 16°C voelt drukkend aan, boven de 20°C is tropisch benauwd.
Een downburst is een sterke, geconcentreerde luchtstroom die uit een onweersbui naar beneden schiet en zich bij de grond in alle richtingen verspreidt. Ze ontstaan doordat afkoelende, met neerslag beladen lucht in de bui zwaarder wordt dan zijn omgeving en versneld naar beneden valt.
Een microburst is een kleine, zeer krachtige variant (minder dan 4 km breed) die windstoten tot ruim 150 km/u kan geven; een macroburst is de grotere versie. Omdat de schade vaak in één richting waait, worden downbursts soms verward met een tornado, maar het schadebeeld verraadt het verschil.
F
Een funnelcloud is de zichtbare, gecondenseerde trechter van een roterende luchtkolom die uit de wall cloud of wolkenbasis naar beneden steekt. Zolang de trechter de grond niet raakt, spreken we officieel niet van een tornado of windhoos,maar van een funnel.
Raakt de roterende kolom de grond (zichtbaar via opwarrelend stof, water of puin), dan is het per definitie een tornado/windhoos, ook al is de trechterwolk zelf nog niet helemaal doorgezakt.
G
De gevoelstemperatuur geeft aan hoe warm of koud het aanvoelt, in plaats van wat de thermometer aangeeft. In de winter wordt hiervoor vooral windkoelte gebruikt (wind maakt het kouder aanvoelen), in de zomer speelt vooral luchtvochtigheid een rol (hoge vochtigheid maakt het drukkender aanvoelen).
H
Hagel ontstaat wanneer waterdruppels in een onweersbui door een sterke updraft keer op keer omhoog en omlaag door bevriezingslagen worden geblazen, waarbij ze telkens een nieuwe laag ijs opbouwen, vergelijkbaar met de laagjes van een ui. Pas als de korrel te zwaar wordt voor de updraft, valt hij naar beneden.
Hoe krachtiger de updraft, hoe langer een hagelkorrel in de bui kan blijven groeien voordat hij te zwaar wordt en valt. Grote hagel (>2 cm) wijst dan ook op een zeer krachtige bui.
I
Instabiliteit beschrijft of een luchtpakketje, eenmaal aan het stijgen, blijft stijgen of juist terugzakt. Is de lucht warmer (en dus lichter) dan zijn omgeving, dan blijft die stijgen: instabiliteit. Is dat niet het geval, dan remt de stijging af: stabiliteit.
CAPE en de Lifted Index zijn allebei manieren om deze instabiliteit in een getal uit te drukken.
J
De jetstream is een smalle band van zeer sterke wind op grote hoogte (rond de 9-12 km), die ontstaat door het temperatuurverschil tussen koude en warme luchtmassa's. De positie van de jetstream stuurt voor een groot deel waar lagedrukgebieden en fronten overheen trekken, en daarmee ook waar actief weer kan ontstaan.
K
Het KNMI werkt met vier kleurcodes, oplopend in ernst:
- Groen: geen bijzondere waarschuwing, normaal weer voor het seizoen.
- Geel: er wordt mogelijk gevaarlijk weer verwacht; wees alert, maar geen directe reden tot zorg.
- Oranje: er wordt gevaarlijk weer verwacht dat kan leiden tot schade of gevaarlijke situaties; neem voorzorgsmaatregelen.
- Rood: zeer gevaarlijk weer met kans op grootschalige ontwrichting; volg de aanwijzingen van de autoriteiten op.
De kleur zegt iets over de combinatie van ernst én kans: code oranje kan bijvoorbeeld staan voor zware onweersbuien met kans op grote hagel en zware windstoten, maar ook voor een zware storm of extreme sneeuwval.
L
De Lifted Index vergelijkt de temperatuur die een opstijgend luchtpakketje zou hebben op ongeveer 5,5 km hoogte met de daadwerkelijke omgevingstemperatuur op die hoogte. Is het pakketje warmer (en dus lichter) dan zijn omgeving, dan blijft het stijgen.
Waarden rond de 0 duiden op een stabiele atmosfeer, tussen -2 en -6 is er kans op onweer, en onder de -6 spreken we van zeer sterke instabiliteit. LI wordt vaak samen met CAPE bekeken.
M
Een MCS is een verzameling van meerdere onweersbuien die samen als één groot systeem gaan functioneren en gezamenlijk minstens een paar uur en honderd kilometer in doorsnede beslaan. Losse buien groeien naar elkaar toe, versterken elkaar en vormen zo een uitgestrekt gebied van neerslag en wind.
Aan de voorkant van een MCS is vaak een shelfcloud te zien.
N
Een Doppler radar zendt radiogolven de atmosfeer in en meet hoeveel daarvan terugkaatst op regen, hagel of sneeuw. Hoe meer er terugkaatst (de reflectiviteit), hoe intensiever de neerslag. Radarbeelden zijn hierdoor één van de belangrijkste hulpmiddelen om buien en onweer in real-time te volgen.
O
In een onweersbui botsen ijskristallen en hagelkorreltjes voortdurend met elkaar in de sterke op- en neergaande luchtstromen. Daardoor bouwt zich een elektrische lading op: negatief onderin de wolk, positief bovenin. Wordt het spanningsverschil groot genoeg, dan ontlaadt dit zich als bliksem. Dit kan plaatsvinden binnen de wolk, tussen wolken, of naar de grond.
De donder die je hoort is de schokgolf van de razendsnel opgewarmde (tot ~30.000°C) lucht rond het bliksemkanaal. Het aantal seconden tussen bliksem en donder, gedeeld door drie, geeft ruwweg de afstand in kilometers.
R
Een windstoot is een kortdurende, plotselinge toename van de windsnelheid, in tegenstelling tot de gemiddelde windsnelheid die over een langere periode wordt gemeten. Bij onweer kunnen rukwinden fors hoger uitvallen dan de wind daarvoor of daarna, bijvoorbeeld door een downburst.
S
Een shelfcloud (plankwolk) ontstaat wanneer koude, neerdalende lucht uit een onweersbui (de gust front) onder de warme, vochtige lucht voor de bui schuift. Die warme lucht wordt omhoog geduwd en condenseert in een kenmerkende, horizontaal gelaagde wolkband die aan de voorkant van de bui uitwaaiert.
Shelfclouds gaan vaak gepaard met windstoten en een daling van temperatuur. Ze zijn in alle vormen en maten te zien bij grote, georganiseerde systemen zoals een MCS.
Een supercel is een onweersbui met een aanhoudend roterende stijgstroom, de zogeheten mesocycloon. Die rotatie ontstaat doordat horizontale draaiing in de atmosfeer (veroorzaakt door windschering) rechtop wordt gekanteld in de updraft. Doordat de neerslag apart van de updraft valt, kan een supercel uren achter elkaar actief blijven.
Supercellen brengen het grootste risico op grote hagel, zware windstoten en tornado's. Herkenbare kenmerken zijn een wall cloud en soms een trechterwolk.
T
Thermiek is een stijgende luchtstroom die ontstaat doordat de zon de grond ongelijkmatig opwarmt. Warme lucht boven bijvoorbeeld een akker of asfalt stijgt sneller op dan lucht boven bos of water, wat lokaal de eerste stap kan zijn richting bui- of onweersvorming.
V
Relatieve vochtigheid geeft aan hoeveel waterdamp de lucht bevat ten opzichte van de maximale hoeveelheid die de lucht bij die temperatuur kan bevatten, uitgedrukt in een percentage. Omdat warme lucht meer vocht kan bevatten dan koude lucht, zegt relatieve vochtigheid alleen iets in combinatie met de temperatuur; het dauwpunt geeft daarom vaak een duidelijker beeld van hoe vochtig het daadwerkelijk aanvoelt.
W
Een wall cloud is een geïsoleerd, meestal roterend wolksegment dat lager hangt dan de rest van de wolkenbasis, direct onder het regenvrije deel van een supercel. Het markeert de plek waar de instromende, vochtige lucht sterk en snel opstijgt in de mesocycloon.
Niet elke wall cloud levert een tornado op, maar vrijwel elke tornado ontstaat wél vanuit een wall cloud. Zichtbare, snelle rotatie hieraan is voor chasers het belangrijkste signaal om alert te zijn op een mogelijke funnelwolk.
Windschering (ook wel windshear) beschrijft hoe sterk de wind van richting of snelheid verandert naarmate je hoger in de atmosfeer komt. Zonder windschering groeien buien recht omhoog en vallen ze relatief snel weer in elkaar. Mét voldoende schering wordt de opgaande luchtstroom scheefgetrokken, waardoor de neerslag niet meer in de updraft valt en een bui zich veel langer kan onderhouden.
Windschering is, samen met CAPE, één van de belangrijkste ingrediënten voor rotatie in een bui, en een van de vereiste voor het ontstaan van een supercel.
Geen termen gevonden voor deze zoekopdracht.